Een jaar geleden zat ik me toch te stressen zeg, zoals mijn zoon zou zeggen. Het VU had me gegarandeerd dat ik in februari geopereerd zou worden. En toen zeiden ze: “neeeee, hoe komt u dáárbij?? In juni, mei op zijn vroegst”. Ik explodeerde, maakte stennis, belde, klaagde en mopperde. Ik was al vrij geroosterd en mijn tasje stond al klaar. “Blijf toch maar thuis”, had mijn manager gezegd, “neem maar wat tijd voor jezelf”. Ik kon nog steeds het ongeloof in haar ogen lezen dat ik me tijdens de transitie niet één keer ziek heb gemeld. De eerste maanden van 2015 waren die van het einde van mijn leven, van alles. Alles wat ik kende zou anders worden. Ik probeerde te relativeren maar ik kon het niet helpen: er was een leven vóór en er was een leven ná de operatie. Zitten in een maandenlang durende wachtkamer. Zo gek, die constante nerveuze kriebel van verwachting en spanning in mijn buik. Mijn leven stond stil.

En opeens was daar een telefoontje van de VU: “er is een gaatje. U kunt geopereerd worden op 8 april. In het Amstelland ziekenhuis als dat geen probleem is voor u”. En daar lag ik dan een maand later samen met twee andere dames op zaal. Met elkaar in het heerlijke zelfde schuitje. En echt, wat me het meest is bijgebleven zijn de plafondlichten die voorbij flitsen terwijl ik lig in een ziekenhuisbed en naar de operatieafdeling wordt gereden. Alsof ik beland ben in zo’n ziekenhuisserie. De ijskoude operatiezaal. Als ik met mijn benen in de beugels lig ontmoet ik voor het eerst mijn chirurg. Vriendelijk en hoogzwanger. En ik ben de laatste voor haar verlof ingaat.

Ik kon niet plassen en dus moest de catheter mee naar huis. Vijf dagen vol protocol, pijnstillers en pittige verpleegkundigen eindigden met de uitdaging: “als u uw blaas leeg kunt plassen mag u naar huis”. Terugkijkend kan ik zeggen dat het nieuwe plassen niet lukte omdat de verwondering te groot was. Echt? Ik? Als een meisje plassen? Maar hoe dan en wat gek en…. en….? Geen tijd voor beleving. Hup, plassen en gaan. Technisch en zakelijk. Er volgden zes weken liggen op mijn rug. Ik kon amper lopen of zitten. En steeds belde ik de hotline van het VU. “Is echt alles goed? Ik heb dit pijntje? Daar beneden gebeurt iets, is dat normaal?” En eerlijk is eerlijk, ze waren geweldig. “Nee hoor, bel gerust. Er is niets ontstoken? U heeft geen koorts? Herstel kan nu eenmaal even duren”. 

Letterlijk stapje voor stapje liep ik het herstel in. Mijn spieren waren zo verzwakt dat ik mijn arm amper kon optillen. Ik werd gek van de woonboot. Afgelegen, moeilijk bereikbaar en dus geisoleerd. Nog nooit was mijn wereld zo klein. Dagelijks dilateren, wondverzorging, sterker worden. Bewegen en naar buiten. Mijn grenzen opzoeken en herstellen met vallen en opstaan. En toen ging ik op 1 september maar gewoon weer werken. Voor de klas, vergaderen, alles. Die eerste weken was ik uitgeput. Bezweet van de inspanning, bezorgd om mijn vagina en twijfels over alles eigenlijk. Was dit nou wel zo verstandig? Maar het ging. En ik voelde me steeds sterker worden. En na een maand vol aandacht en complimenten van mijn collega’s volgde met een knal de oorverdovende stilte van het leven van een normaal mens. Het gewone leven van een trans. Klaar, transitie voltooid. Toch?

Mijn stress, mijn herstel, mijn leven. Djeezus wat is mijn vrouw er voor mij geweest dit jaar. Ik gaf haar een reis en daarna alle ruimte. Om te groeien en te mopperen en te praten en te delen. Zij was (en is) aan de beurt. En het heerlijke van dit najaar was dat ik alle ruimte en aandacht had om te geven. En niet alleen voor mijn vrouw. Ook voor vrienden kon ik er weer zijn. Ik herinner me zo goed het avondje met vrienden vorige maand toen het voor het eerst sinds hele lange tijd niet, en ik bedoel nul komma nul, over mij of mijn transitie ging. Wow. Normaal, alles normaal. Toch?

Zo, 2015 is achter de rug. 

Advertenties