Ik was altijd wel aardig. En eigenlijk ben ik dat nog. Niemand heeft een hekel aan me. Ik heb zelden conflicten en ik ben begripsvol. Een man onder mannen ben ik al lang niet meer. Een vrouw onder mijn oude vrienden ben ik geloof ik ook niet maar gelukkig word ik wel aardig gevonden. Intuitief, mijn onderbuik, zegt me dat ik gewoon niet meer pas. Ik mag meedoen, ik heb een plek maar ik hoor er gewoon niet meer echt bij. De mannen, gewoon niet mijn groep.

Individueel maakt het allemaal niet zoveel uit. Met wie het klikt, klikt het, en zo niet dan niet. En daarover ben ik heel tevreden.  Maar ik ben geen man onder de vrouwen meer en een vrouw onder de vrouwen ben ik ook niet. Intuitief, mijn onderbuik, zegt me dat ik gewoon (nog?) niet pas. Ik mag meedoen, ik heb een plek maar ik hoor er gewoon niet echt bij. De vrouwen, gewoon (nog?) niet mijn groep. 

De automatische verstandhouding, die blik, dat woord, dat onderwerp dat je deelt waardoor je weet dat dat er een van jou is. Stel je maar voor dat je op een feestje komt waar je niemand kent. Dat je even moet zoeken waar je aansluiting gaat vinden.  Ik ben het kwijt en het doet pijn. Iedereen doet zijn best. Ik, mijn omgeving, vrienden, collega’s, maar niemand weet eigenlijk wat je nou moet met een trans. Is het er nou een van ons of niet? En vanuit mijn perspectief: hoor ik er nou bij of niet? Als man een schim van een herinnering en als vrouw geschiedenisloos en groen. “Dag transmens. Welkom op ons feestje.  Waar wilt u zitten?”

Niemand heeft een hekel aan mij. Iedereen vindt mij wel aardig. Wel aardig. Wel aardig. Wel aardig doet een beetje pijn nu. Ik zou gelof ik willen dat iemand zegt: “hé, Sandra, kom maar bij ons zitten”.

Advertenties