We lopen elkaar tegen het lijf in een gang van de school. “Hoe is het met u?” De studente spreekt me met ‘u’ aan. Het geeft niet, ik ben er aan gewend geraakt. Haar glimlach is hartelijk en open. “Goed, leuk dat je het vraagt”, reageer ik. Ze doelt op mijn transitie, heb ik het gevoel. “Ik ben wat minder gaan werken”, vervolg ik, “ik heb even veel tijd nodig om leuke dingen te doen in mijn leven”. Ik zie een kleine bedachtzame frons tussen haar ogen verschijnen: “is het omdat u ziek bent of gaat het om iets anders?” Stiekem ben ik trots op haar. Wat een mooie doortastende vraag. Ik leg uit dat ik, nu het stof van mijn transitie is neergedaald, ontzettend veel behoefte heb om te genieten van het leven. Dat ik met mijn nieuwe lichaam en geest ruimte voor mezelf wil. Een pas op de plaats in plaats van maar doorgaan. En dat ik dus eigenlijk heel erg blij ben. Even schiet er door me heen dat ik zoiets persoonlijks niet zou moeten delen met een studente maar laat die gedachte snel weer los. In hemelsnaam, ik ben wie ik ben hoor.

“Ik wilde nog even zeggen dat ik zoveel bewondering voor u heb”, vervolgt ze.  “Dat u zo open vertelt over hoe dat allemaal gaat met u en de transitie en zo. Echt, ik heb heel veel respect. Ik wou ook nog even zeggen dat als ik iemand als u ergens zie ik nu heel anders kijk. Ik weet hoe bijzonder het allemaal is en daar ben ik blij om”. Ik kijk haar aan. “Wow”, zeg ik zacht, wat fijn om te horen en wat leuk dat je dit met me deelt”. “Ik had het vorig jaar al eens willen zeggen”, gaat ze verder, “maar ik wist niet zo goed hoe. Ik durfde niet zo goed”. Ik ben oprecht onder de indruk van haar. Wat geeft ze me een mooi compliment. “Dankjewel”, zeg ik. We kijken elkaar even aan en spontaan geven we elkaar een knuffel. Als ze daarna wegloopt roep ik: “en hoe is het me jou?” Ze draait zich om en roept terug: “goed hoor. Dahaag”.

Advertenties