Ik ben in gesprek met een collega. Of ik wellicht interesse zou hebben om aan te sluiten bij hun team. Als docent leid ik studenten op tot sociaal werkers. De collega met wie ik spreek vertegenwoordigt een nieuwe opleiding: een combinatie tussen sociaal werk en de pabo. Deze opleiding is hard nodig om toekomstige leraren meer kennis en vaardigheden bij te brengen. In elke klas hebben altijd een paar kinderen wel iets. Ouders worden mondiger en de problematieken zwaarder. Het zou er om gaan dat ik vaak en veel studenten zou bezoeken in een onderwijssetting. Zijn staan voor de klas en ik observeer stilletjes in een hoekje achter in het lokaal. Met name zou ik dan langsgaan bij scholen voor bijzonder onderwijs.

Ik weet eerlijk gezegd niet zoveel van onderwijs. Hoe je overeind blijft voor de klas, hoe je een les opbouwt, orde houdt en er voor zorgt dat elk kind de aandacht krijgt die het verdient. Natuurlijk, ik geef ook les. Ik heb er zelfs een opleiding voor gevolgd. Maar mijn stijl van lesgeven past vooral goed bij (jong) volwassenen die meer verantwoordelijkheid aankunnen, die zelfstandig kunnen werken en met wie ik in gesprek kan gaan. Deze gedachten dwarrelen door mijn gedachten tijdens het gesprek. Ik spreek mijn twijfels uit. “Ik weet niet of ik wel de juiste persoon ben om die schoolbezoeken te doen”, zeg ik in alle oprechtheid. “En”, flap ik er opeens uit, “ik weet niet of ik als transgender geschikt ben om achter in de klas te gaan zitten. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat ik de aandacht op me vestig. Het gaat om de student, niet om mij”. Mijn collega kijkt me even aan. “Tja, misschien zou het wat lastiger voor je zijn”, reageert hij neutraal. “Het is een pittige doelgroep”.

Later, als ik thuis ben, herzie ik mijn mening. “Ik ben leuk genoeg”, zeg ik tegen mijn partner. Ik meen wat ik zeg en denk even aan ‘passabel’ zijn. De term die een paar jaar geleden zo belangrijk voor me was. “En transgenders horen gewoon bij het leven hoor”, gaat ze verder. “Dat kunnen die kinderen heus wel aan”.

Ik ga het niet doen. Ik voel me teveel hulpverlener en te weinig een pabo-mens. En wat leuk dat er aan me gedacht werd, door die opleiding. Ik zal nog wel tegen hem zeggen dat mijn genderdysforie niet de reden was om het niet te doen. En dat te denken dat ik niet passabel zou zijn voor deze klus een spontane aanval van verstandsverbijstering was. Ik ben gewoon hartstikke leuk.

Advertenties