We eten samen. In het het café is het niet zo druk en wij hebben alleen oog voor elkaar. We zien elkaar. We horen elkaars verhalen, delen onze levens tot nu toe. Onze aantrekkingskracht is sterk. Zomaar uit het niets iemand ontmoeten en weten, voelen, dat het vanaf de eerste blik goed zit. Dat we iets te halen hebben bij elkaar. En iets te geven. Onze leven kruisen in het hier en nu en we hebben geen idee over de toekomst. En ik, ik verdrink in haar glinsterende ogen.

Na zo veel jaren zwijgen en liegen heb ik het besluit genomen nooit meer oneerlijk te zijn. Over niets. Tegen niemand. Zij, ik noem haar A, ook niet: “ik zeg je, ik ben echt eerlijk hé, je blijft ook iets mannelijks hebben voor mij. Je postuur, je stem. Soms zo’n opmerking. Ik vind het rot om te zeggen maar het is gewoon zo”. Kaboem! Au! Haar opmerking steekt me recht in mijn vrouwenhart. Deep down weet ik dat ze gelijk heeft en tranen springen in mijn ogen: “ik kan mezelf niet veranderen”, zeg ik oprecht. “Mijn lijf, mijn geschiedenis, het is wat het is”. Ik voel me zo kwetsbaar. Ik voel pijn maar gek genoeg voel ik me ook opgelucht. Als je voor mij kiest krijg je me helemaal. Mijn hart, mijn leven nu maar ook mijn geschiedenis.

We rekenen af. De serveerster legt het bakje met de rekening tussen ons in op de tafel. Net zoals bij first dates. “Betaal jij?”, zegt A verleidelijk. “Ze keek naar jou toen ze de rekening neerlegde”. “O alsjeblieft. Laat mij de vrouw zijn?”, zeg ik wanhopig. “Regel jij het even, alsjeblieft?” Demonstratief schuif ik het bakje met de rekening haar kant op. “Ik heb het zo nodig om me vrouw te kunnen voelen”, zeg ik, en ik kijk haar doordringend aan. “Ik heb altijd de man moeten zijn met mijn vriendin”, kaatst ze terug. “Ik heb het zo nodig dat er wat voor me wordt gezorgd”. Ze kijkt me speels en serieus tegelijk aan en schuift dan de rekening terug mijn kant op. Het is een mooie avond. Onze zielen voelen in alle oprechtheid verbonden. Alles mag er zijn.

We drinken nog wat in een ander café. Naast ons zitten twee mannen. Brandweermannen, blijkt later. Als ik vertel wat ik doe reageert een van de mannen met: “agressietraining, dat is toch niet iets wat je van een vrouw zou verwachten”. We kletsen nog wat over agressie bij de brandweer en hoe ik als vrouw studenten kan leren om te gaan met grensoverschrijdend gedrag. A heeft inmiddels haar hoofd tegen mijn schouder gelegd. Haar hand op mijn bovenbeen. Het voelt fijn, zo intiem en meteen zo vertrouwd. “Ik zal jullie niet langer storen”, zegt de brandweerman met een glimlach. “Jullie dames hebben wel iets anders te doen”. Zijn blik glijdt omlaag van mijn lichaam naar de hand van A in mijn schoot. Ik lach en A zegt zacht in mijn oor: “klets maar verder. Ik hoor graag hoe je met hem praat”.

Man. Vrouw. Mannelijk en vrouwelijk. Mijn enige manier om om te gaan met mijzelf en de ander is als alles er mag zijn. Als bestaande hokjes kunnen vervagen en ieders unieke zelf op de voorgrond kan staan. Pas dan, in alle kracht en kwetsbaarheid kan ik, en daarmee de ander, groeien en bloeien.

Advertenties