“Zo bijzonder is deze toch ook weer niet?” Ze zwaait naar me, met de foto boven haar hoofd. “Censored, staat er bij. Het lijkt me nogal logisch dat make-up verboden terrein voor je was. Een beetje ‘obvious’, om maar even in jouw Engelse termen te blijven”. Haar cynische toon ontgaat me niet.

Ik had haar al eens verteld hoe ver weg en onbereikbaar die ‘andere wereld’ was. Hoe ik verlangde om me ook op te maken zoals de vrouwen om mij  heen dat deden. Dat is wat zij nu ziet: een platte weergave van een onderdrukte en tot dan toe onbereikbare behoefte. Ik zie een wanhopig zoekende adolescent voor me:

Ik ben 20. Het zijn de jaren 80. Zoals zoveel mannen heb ook ik met en oogpotlood een lijntje getrokken onder mijn ogen. Doodsbang ben ik en ik weet niet waarom. Op mijn stage valt het mijn stagebegeleider op: “je hebt je en beetje opgemaakt”, zegt hij vriendelijk. “Nee”, zeg ik resoluut. Ik ben een beetje grieperig of zo”. “Het geeft toch niet”, gaat hij verder, “als jij dat leuk vindt kan dat toch gewoon”. “Nee, echt niet”, hou ik vol.                    Ik was bang. Zo bang.  En ik wist maar niet waarom.

Ik zucht en druk de nare herinnering weg. “Het is inderdaad een suffe foto”, ik kijk haar aan. “wat ik er eigenlijk mee wilde zeggen is dat het zo bijzonder voor me was dat ik me, toen ik de foto maakte, eindelijk kon gaan opmaken. Al jaren keek ik iedere ochtend in de spiegel en moest ik mijn behoefte om mijzelf een beetje mooier te maken onderdrukken. Op het moment van deze foto was het tij aan het keren. Deze foto markeert het begin van mijn leven als mijzelf”. Ik sta op, gris de foto uit haar handen en maak een dansje door de kamer. “Yeahhh, life is good”, roep ik. “Klinkt dat beter voor je?” Uitdagend kijk ik haar aan.

“Misschien dat je dan het ‘censored’ kan veranderen in ‘freedom’, zegt ze lachend. Dat zou het beste passen”. Ze graait de foto weer uit mijn handen en gooit hem in de lucht: “Ik ben nog steeds zo blij voor je”, weet je dat?” En ze geeft me een zoen op mijn wang.

censored